1Op een van de dagen dat Jezus het volk in de tempel onderricht gaf en er het goede nieuws verkondigde, kwamen opeens de hogepriesters en de schriftgeleerden, samen met de oudsten, op hem af 2en vroegen hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven? Zeg ons dat eens.’
3Jezus antwoordde: ‘Ook ik zal u iets vragen waarop u antwoord moet geven: 4Doopte Johannes in opdracht van de hemel of van mensen?’
5Ze overlegden met elkaar: ‘Als we antwoorden: “Van de hemel,” zal hij vragen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” 6Maar als we antwoorden: “Van mensen,” zal het volk ons willen stenigen, omdat iedereen ervan overtuigd is dat Johannes een profeet was.’ 7Dus antwoordden ze dat ze het niet wisten. 8Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe.’

Lucas 20:1-8

Wie was Jezus, dat hij werd ingehaald en dat hij de gang van zaken in de tempel verstoorde. De Romeinse machthebbers hielden zich afzijdig, dus moesten de Joodse notabelen het zelf oplossen. Ze stuurden een delegatie van hogepriesters, schriftgeleerden en oudsten op hem af om Jezus tot inkeer te brengen.

De Herodianen stelden aan Jezus vragen of het was toegestaan om belastingen aan de Romeinen te betalen. De Sadduceeën, die niet in de opstanding geloofden, daagden hem met een casus over iemand die vaker was getrouwd. En een schriftgeleerde wilde wel graag weten wat het meest belangrijke was in de Wet.

Ze kozen ervoor om het in het openbaar te doen, want Jezus gaf op dat moment onderricht en verkondigde het goede nieuws in de tempel. De delegatie zal zonder meer indruk hebben gemaakt op de opstanders. Jezus laat er zich echter niet door uit het veld slaan en beantwoordt de vraag van de delegatie met een tegenvraag, waarop de hooggeleerde delegatie geen antwoord durft te geven.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *